Terroir

Natuurlijke factoren

Bodem

Lantignié kent een mozaïek van verschillende ondergronden waarvan enkele behoren tot de oudste bodems van Frankrijk. Vereenvoudigd kunnen ze worden onderverdeeld in enkele hoofdgroepen, waarvan de belangrijkste twee zijn: de Granit Rose (ongeveer de helft van de oppervlakte) en de Pierre Bleue (ongeveer een derde). Daarnaast zijn er ook kleinere micro-terroirs met kleiachtige bodems, grindbodems, en andere variaties.

Het oudste gesteente is de Pierre Bleue, die ongeveer 400 miljoen jaar geleden ontstond, toen er een zee over de Beaujolais lag. Onder de zeebodem was er, door tektonische bewegingen, veel onderzeese vulkanische activiteit, waardoor talrijke uitbarstingen plaatsvonden. De lava koelde snel af en vormde basalt, dat later werd gemetamorfoseerd tot verschillende donkere, kwartsarme gesteenten (zoals metabasalt, schist en dioriet-achtige gesteenten). De pierre bleue is dus een verzamelnaam voor deze oeroude gesteenten. Ongeveer 30 procent van Lantignié is ermee bedekt.

De Granit Rose ontstond ongeveer 320 miljoen jaar geleden, tijdens de vorming van het Hercynische gebergte die ontstond door de botsing van twee megacontinenten en leidde tot het ontstaan van één enkel continent: Pangea. Dit was een enorme bergketen die hoogten bereikte, vergelijkbaar met die van de huidige Himalaya. Het graniet ontstond diep onder het aardoppervlak, waar gesteente smolt tot magma. Door de zeer langzame afkoeling konden grote kristallen ontstaan, waardoor uiteindelijk graniet werd gevormd. Later, door miljoenen jaren van erosie, verdwenen de bovenliggende bergen en kwamen deze granieten plutonen aan de oppervlakte.

Het reusachtige bergketen brokkelde langzaam af door miljoenen jaren regen, wind en vorst die zorgde voor klei en zandformaties die nu nog als enige de getuige is van die gigantische bergen die er ooit was. In deze bodems zijn sporen van protodinosauriërs gevonden. Het landschap was in constante verandering. Het zeeniveau steeg en daalde voortdurend waarbij het soms even door water werd bedekt en dan weer weg ging al is er in Lantignié geen getuige van deze zeeafzettingen te vinden, deze zijn vooral aanwezig in het zuiden van de Beaujolais.

Wat wel terug heel interessant is voor Lantignié, en dan vooral voor de kleine micro terroirs, is de invloed gletsjers en smeltwater die in het tijdperk van de grote ijstijden ontstonden, dat loopt van ongeveer 780.000 tot 15.000 jaar geleden. Het langzame bewegen van gletsjers en het smeltwater ervan voerde grote hoeveelheden zand, klei, grind en stenen mee en verspreidde dit over verschillende plekken. Veel van de rotsen en sedimenten in Lantignié liggen dus niet op hun oorspronkelijke plek, maar zijn door ijs en water verplaatst. Zo ontstonden veel verschillende soorten bodems door glaciale afzetting, van grote stenen en blokken naar zachte, zanderige en grindafzettingen.

De pierre bleue en de granit rose zijn gesteenten die kenmerkend zijn voor de tien Beaujolais-Crus en omdat Lantignié zich als 11de cru wil profileren, zetten wijnbouwers zich in om de expressie van hun terroir te versterken. Door zorgvuldige wijnbouw en respect voor de bodem streven ze ernaar de unieke eigenschappen van hun wijngaarden tot uiting te brengen en de identiteit van Lantignié als uitzonderlijk wijngebied te benadrukken.

Topografie

Lantignié ligt in een heuvelachtig gebied en wordt gedeeltelijk beschut door hogere heuvels en lage bergen ten westen en noordwesten van de gemeente. Dit zijn uitlopers van de Monts du Beaujolais, die lokaal een hoogte van 700-1000 meter kunnen bereiken en ze bieden enige bescherming tegen regenval afkomstig van de Atlantische Oceaan. Aan de oostelijke kant opent het landschap zich richting de Saône-vallei, waar het vlakker en opener is. De hellingen die meestal naar het oosten of zuidoosten gericht zijn, hebben een goede blootstelling aan de zon, terwijl de natuurlijke beschutting van de heuvels extreme weersinvloeden enigszins tempert. Het dorp Lantignié ligt op een hoogte van 300 meter maar vele wijngaarden liggen hoger, hoe meer men naar de heuvels van de Monts du Beaujolais gaan, hoe meer men de hoogte in gaat. Op de topografische kaart is duidelijk te zien dat de wijngaarden al snel tot 400 meter hoogte reiken. In dat opzicht zijn er gelijkenissen met de Cru Chiroubles, waar eveneens hoger gelegen, koelere percelen te vinden zijn. De hoger gelegen, en dus koelere, percelen worden steeds waardevoller in een klimaat dat alsmaar extremer en warmer wordt.

klimaat

Het klimaat in Lantignié, net als bij de andere Crus van de Beaujolais, is gematigd continentaal. Dit betekent dat de regio relatief veel neerslag kent, hoewel een deel van de regen uit het oosten wordt tegengehouden. Toch blijft het klimaat vrij vochtig, wat het risico op ziektes voor de druiven vergroot. Dankzij de mediterrane invloeden zijn de zomers echter zeer zonnig en droog, wat bijdraagt aan de concentratie van suikers in de druiven en een goede rijping van de Gamay. In de winter zijn er vaak lange periodes van kou, met vorst die de regio kan beïnvloeden. Er zijn zowel warme, droge winden uit het zuiden als koude winden uit het noorden. De laatste zijn gunstig voor de wijnstokken tijdens de hete zomers, maar kunnen ook late nachtvorst veroorzaken, wat de knopontwikkeling in gevaar brengt en de opbrengst kan verminderen. Daarnaast is de regio vatbaar voor hagelbuien, die de druiven beschadigen. Gedurende het jaar bedraagt ​​de gemiddelde temperatuur in Lantignié 11,4°C en de gemiddelde regenval 788,9 mm.

Menselijke factoren

Wat Lantignié bijzonder maakt, is de manier waarop traditionele werkwijzen hand in hand gaan met nieuwe ideeën. Binnen de VTL wordt volop geëxperimenteerd, maar altijd met respect voor wat er al was en wat er heerst binnen de Beaujolais. De regels die de wijnmakers zichzelf opleggen, zoals lagere rendementen en natuurlijke vinificatiemethoden, zijn geen beperkingen, maar middelen om het terroir juist beter tot uitdrukking te laten komen.

Daarnaast is er een sterke cultuur van samenwerking en uitwisseling. Wijnmakers werken collectief aan een groter terroir-bewustzijn, niet alleen door van elkaar te leren, maar ook door in gesprek te gaan met de oudere generatie. Het is een evenwichtsoefening: de erfenis van het verleden bewaren, en tegelijk ruimte maken voor vernieuwing. In Lantignié ontstaat op die grens iets persoonlijk en uniek.

De druif

De gamay is niet vanzelf gegroeid uit de bodem in de Beaujolais, noch is hij er door de natuur naartoe geleid. Het is de mens die besloot om deze druif daaraan te planten, die de stenige grond heeft bewerkt en elke plant met de hand geplaatst heeft, op hellingen die oorspronkelijk aan het bos of andere natuur toebehoorden.

De gamay zou vooral aangeplant geweest zijn vanaf het begin van de 17de eeuw. De graniet en vulkanische bodems leek de perfecte ondergrond voor deze druif te zijn. Ze ontstond als een kruising tussen de pinot noir en gouaise blanc. Gamay vereist nauwgezette zorg en aandacht tijdens vochtige weersomstandigheden en de dreigingen zoals de hevige stormen waar beaujolais soms door geteisterd wordt, en de mistralwind die heel hard kan waaien.

Voor witte wijn wordt de chardonnay gebruikt. Deze wordt meer en meer aangeplant door de wijnmakers in Lantingié. Het maken van witte wijn als cru mag niet volgens de cahier de charges maar Lantignié zou de eerste cru willen worden die ook wit mag produceren. De witte wijnen die nu gemaakt worden zijn dan ook van uitstekende kwaliteit. Vandaag de dag is nog maar 2% van Beaujolais wijnen wit, maar geleidelijk aan zal daar verandering in komen. Ook in Brouilly is men aan het proberen om ook witte wijn onder de cru benaming te mogen uitbrengen.

Vinificatietechnieken en tradities

In Lantignié wordt, zoals traditioneel in de Beaujolais, vaak de macération semi-carbonique toegepast bij het maken van hun wijn. Dat blijft een veelgebruikte methode, maar sommige wijken er deels of helemaal van af als ze een andere stijl voor hun cuvée voor ogen hebben. Zo zijn er wijnmakers die kiezen voor een meer klassieke vinificatie met volledige schilweking en langere maceratieperiodes om meer tannines en structuur in hun wijnen te krijgen. Anderen experimenteren met natuurlijke gisten of langere rijpingsperiodes op eiken vaten om complexiteit en diepgang aan hun wijnen toe te voegen.

De macération semi-carbonique, ook wel de Vinification Beaujolaise genoemd omdat het zo typisch is aan de Beaujolaisstreek, lijkt op de macération carbonique. Hele druiventrossen worden in een niet afgesloten tank gegooid. Onder in de tank worden sommige druiven door hun eigen gewicht geplet, waardoor de gisting op gang komt. Deze gisting produceert koolzuurgas, dat ervoor zorgt dat de intacte druiven bovenaan in de cuve anaeroob beginnen te vergisten, wat resulteert in intracellulaire fermentatie. Door deze enzymatische processen binnenin de intacte druiven ontwikkelen specifieke fruitige aroma’s maar er zal ook iets meer volume gecreëerd worden door de fermentatie onderaan de tank. Vaak wordt er remontage toegepast om de druiven bovenaan nog eens onder te dompelen met het sap van onderaan om nog meer fruit uit de druiven te halen. Dit zorgt voor fruitige, aromatische wijnen met zachte tannine met iets meer structuur dan de macération carbonique.

Hoewel vaak wordt beweerd dat de gobelet-snoeiwijze het best geschikt is voor de gamay in de Beaujolais, zie je in Lantignié dat steeds meer wijnmakers overstappen op de guyot. Deze snoeivorm is beter te beschermen tegen ziektes, een belangrijk voordeel bij biologische wijnbouw waarbij geen chemische bestrijdingsmiddelen ingezet worden. Bovendien maken de rechte rijen die zo ontstaan het wieden van onkruid eenvoudiger. Tussen de ranken laat men vaak gras groeien, om de bodem levend en gezond te houden.

Omdat de gronden in de Beaujolais-Villages relatief goedkoop waren in vergelijking met andere Franse wijnregio’s, hebben veel jonge wijnmakers die niet uit een wijnfamilie komen de kans gegrepen om hier hun eigen domein te beginnen. Het gevolg is dat je in deze dorpen wijnmakers uit heel Frankrijk, en zelfs uit andere delen van Europa aantreft. Dat zie je ook duidelijk terug in Lantignié en bij de groep van de VTL.

Bij jonge wijnmakers in de Beaujolais leeft vaak een sterke interesse in biologische en biodynamische principes. Deze tradities hebben hier dan ook al een lange geschiedenis. Reeds in de jaren tachtig begonnen pioniers als Marcel Lapierre in Morgon met biodynamische wijnbouw en figuren als Jules Chauvet waren verdedigers van die methodes. In Lantignié is Christian Ducroux een fenomeen naar wie veel jonge wijnmakers van de VTL opkijken. Zijn wijngaarden vormen een levend ecosysteem, beplant met bomen, struiken, gras en bloemen tussen de ranken. Precies dat soort benadering zie je nu ook steeds meer terugkeren in de experimenten van de VTL. Ik herinner me nog goed hoe Mathieu Collonge van Domaine de la Roche ooit zijn droomwijngaard beschreef, en die leek als twee druppels water op een wijngaard van Ducroux.